Informatie

Nieuwsgierig naar het 'hoe', 'wat' en 'waarom' in een kleuterklas? Misschien kunnen deze artikels uw nieuwsgierigheid bevredigen...
Of het doen en laten in een kleuterklas verduidelijken.

 

De ontwikkeling van een kind

De ONTWIKKELING van een kind gaat soms snel, soms traag, op zijn eigen tempo.  Daarenboven ontwikkelt het niet op alle vlakken even snel.  Weinig kinderen zijn helemaal schoolrijp op het einde van een derde kleuter.  De leerkracht van het eerste leerjaar werkt er verder aan.

Met het onderstaand schema willen wij een overzicht geven wat een kleuter uit de eerste – tweede – derde kleuterklas reeds kan, zal bereiken of nog niet bereikt heeft tijdens die periode.

Het kan heel goed zijn dat de kleuter bij het verlaten van de eerste kleuterklas bijvoorbeeld op fijne motoriek de vaardigheden nog niet bereikt heeft volgens het schema. Geen nood, hij krijgt de kans het volgend jaar dit tekort aan te vullen. Staar jullie niet blind op de per jaar geordende vaardigheden, maar volg je kleuter rustig in zijn eigen evolutie.

Wij werken niet naar een eindproduct maar volgen je kind in zijn eigen ONTWIKKELING.


EERSTE KLEUTERKLAS

POSITIEVE INGESTELDHEID

  • kan betrokken bezig zijn
  • heeft interesse in het klasgebeuren

EMOTIONELE ONTWIKKELING

  • kent, beleeft en herkent de hoofdgevoelens: blij – bang – boos – verdrietig
  • kan gevoelens uitdrukken via lichaamstaal

SOCIALE ONTWIKKELING

  • kan korte tijd samenspelen
  • heeft al toevallige vriendjes

MORELE ONTWIKKELING

  • kan eenvoudige regels en afspraken naleven
  • kan ervaren dat eigen gedrag gevolgen kan hebben

GODSDIENSTIGE ONTWIKKELING

  • kan genieten van de schepping
  • even kunnen stil zijn

MUZISCHE ONTWIKKELING

  • al doende zintuiglijke ervaringen opdoen
  • techniek kennen van scheuren – kleven – stempelen – schilderen
  • luisteren naar versjes en ze mee zeggen

MOTORISCHE ONTWIKKELING

  • GROVE
    • kan houding en bewegingen nabootsen
    • heeft een goede uithouding
    • kan vlot lopen, stappen
    • kan duwen, heffen, trekken
    • kan snel reageren op bepaalde prikkel en zo de bewegingen snel afremmen.
    • is behendig in het nemen van hindernissen
    • botsen niet tegen elkaar bij het lopen
    • kan gelijktijdig met beide voeten springen
    • kan een trap opgaan
    • kan op één been staan
    • stapt op de brede kant van de Zweedse bank
    • kan een bal gooien en rollen
  • FIJNE
    • knippen: kennis maken met een schaar
    • kan grote vlakken inkleuren
    • tracht te tekenen vanuit de pols
    • tracht de potloodgreep juist te gebruiken
    • kan een ‘kopvoeter’ tekenen
    • kan nauwkeurig plaats geven aan voorwerpen: bouwen – inlegpuzzels
    • oog – handcoördinatie: steekparels – dikke parels rijgen

ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING

  • verkent de ruimte rondom zich
  • ontdekt grote verschillen en gelijkenissen

VERSTANDELIJKE ONTWIKKELING

  • sorteert de vier hoofdkleuren
  • kent de naam van enkele getallen
  • sorteert volgens 1 kenmerk
  • kan antwoorden op wat – vragen
  • kan een eenvoudige inlegpuzzel maken

TAALONTWIKKELING

  • gebruikt eenvoudige woorden
  • spreekt alle klanken en tweeklanken uit
  • praat verstaanbaar
  • begrijpt eenvoudige opdrachten
  • luistert naar een eenvoudig verhaal met ondersteuning
  • kan een verhaal chronologisch opbouwen
  • kan relaties leggen en lost eenvoudig raadsels op
  • kan vragen gericht beantwoorden
  • kan eigenschappen herkennen, benoemen, vergelijken, ordenen
  • kan spreken over ervaringen, gebeurtenissen. gevoelens…
  • kent eigen symbolen en dat van de vriendjes
  • begrijpt eenvoudige pictogrammen
  • spreekt in woordzinnen van 3-5 woorden

ONTWIKKELING VAN ZELFSTURING

  • wast en droogt zelf de handen
  • kan zich gedeeltelijk aan en uitkleden.

TWEEDE KLEUTERKLAS

POSITIEVE INGESTELDHEID

  • kan initiatief nemen
  • heeft interesse in eigen werk en dat van anderen
  • voelt zich goed in de groep

EMOTIONELE ONTWIKKELING

  • komt voor zichzelf op
  • heeft zelfvertrouwen

SOCIALE ONTWIKKELING

  • kan speelgoed en materiaal delen
  • kan langere tijd samen spelen
  • kan beurt afwachten in de groep

MORELE ONTWIKKELING

  • kan regels en afspraken naleven ook als de juf niet in de buurt is.
  • kan waarden respecteren: dank je wel – netjes eten – beleefd vragen

GODSDIENSTIGE ONTWIKKELING

  • kan een korte tijd stil worden
  • zich inlevend herkennen in een figuur uit een verhaal
  • heeft respect voor mens en natuur

MUZISCHE ONTWIKKELING

  • kan tot een werkstuk komen met aangeboden materiaal
  • kan zich inleven in een rol, in een verhaal en kan dit verhaal terug opbouwen
  • beleeft plezier aan mee zingen, muziek beluisteren
  • kan een versje opzeggen

MOTORISCHE ONTWIKKELING

  • GROVE
    • afremmen van beweging
    • bootst eenvoudig houdingen na aan de hand van prenten
    • kan rond eigen lengte -as rollen
    • loopt: vlot en snel
    • kan gelijktijdig met beide voeten springen
    • kan trappen opgaan zonder tussen passen
    • kan langere tijd op één been staan
    • kan gericht: bal gooien – bal rollen
    • kan naar een bepaalde richting lopen
    • vindt plaats terug in een rij
    • kan beschikbare ruimte volledig benutten
    • kan vlot op de brede kant van de Zweedse bank stappen
  • FIJNE
    • knippen: schaar juist hanteren – op een rechte lijn knippen
    • kleuren binnen de lijnen: kleinere vlakken
    • tekenen: grove motorische schrijfpatronen in zand, met verf, op krijtbord
    • verfijnen van prikken – scheuren
    • oog – handcoördinatie: kralen rijgen
    • potloodgreep: oefenen en steeds verbeteren
    • tekent een eenvoudig kindfiguur.

ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING

  • kan kleine gelijkenissen en verschillen zien bij voorwerpen
  • kan voorwerpen herkennen door ze te betasten
  • kan geluiden benoemen en herkennen.

VERSTANDELIJKE ONTWIKKELING

  • kan sorteren naar 2 -3 kenmerken
  • kan verschillende kleuren benoemen
  • kan antwoorden op hoe, waarom, wanneer vragen
  • kan een eenvoudige puzzel maken
  • begrijpt en gebruikt tijdsbegrippen als morgen – eerst – later – vroeger…
  • kan tellen tot 5
  • kan via een één – één relatie hoeveelheden vergelijken.

TAALONTWIKKELING

  • kent medeklinkerverbindingen – ook achteraan een woord
  • gebruikt zelfstandige naamwoorden, werkwoorden
  • kan tweeledige opdrachten begrijpen en uitvoeren
  • probeert rijmwoorden: nonsens rijmen
  • erkent eigenschappen, kan ze benoemen, vergelijken en ordenen
  • spreekt over ervaringen.- gebeurtenissen – gevoelens….
  • kent en gebruikt symbolen en pictogrammen
  • spreekt in goed gestructureerde eenvoudige zinnen.
  • gebruikt verkleinwoorden, meervoudsvormen, variatie in werkwoorden
  • herkent trefwoorden in een zin
  • kan een woord herhalen in een reeks
  • zin van 4 -5 woorden nazeggen

ONTWIKKELING VAN ZELFSTURING

  • kan zelfstandig een keuze maken binnen het aanbod
  • begrijpt een eenvoudige opdracht en kan ze zelfstandig uitvoeren met hulp (leidster – picto – aanwijzen)
  • kan tanden poetsen, jas aan en uitdoen – jas sluiten

DERDE KLEUTERKLAS

POSITIEVE INGESTELDHEID

  • durft zijn mening uiten
  • komt voor zichzelf op
  • kan een activiteit intens volhouden en afwerken

EMOTIONELE ONTWIKKELING

  • kan over een emotionele situatie nadenken en naspelen: vb ruzie
  • kan zich beheersen en rekening houden met anderen
  • kan aandacht delen

SOCIALE ONTWIKKELING

  • heeft al echte vrienden
  • kan ruzie bijleggen
  • kan samen werken

MORELE ONTWIKKELING

  • kan bespreken of gedrag al dan niet goed of fout is
  • respecteert waarden als eerlijkheid – zorgen voor anderen en voor het materiaal – beleefdheid

GODSDIENSTIGE ONTWIKKELING

  • mee beleven dat we met Iemand verbonden zijn
  • aanvoelen dat Jezus en andere geloofsfiguren betekenis hebben voor volwassenen
  • vertrouwd raken met christelijke symbolen en gebruiken

MUZISCHE ONTWIKKELING

  • kan fijne werkstukken creëren met aangeboden materiaal
  • kan genieten van een mooi boek, een fijn lied
  • zegt vooraf wat hij zal tekenen en doet dit ook
  • kent langere versjes en liedjes
  • kan eigen ervaringen, belevingen, gedachten , gevoelens creatief spelend uitbeelden

MOTORISCHE ONTWIKKELING

  • GROVE
    • vlotheid, lenigheid, durf,behendigheid
    • heeft een goede uithouding
    • kan achteruit en over hindernissen springen
    • huppelt – hinkelt
    • kan gelijktijdig met beide voeten springen
    • kan op één been springen
    • kan bal gooien: gericht gooien naar een voorwerp, op de juiste manier, van op een behoorlijke afstand
    • kan bal rollen – dribbelen met bal
    • structuratie in de ruimte: niet botsen tegen elkaar – ruimte gebruiken die er is
    • evenwicht : statisch: op één been: op de grond
    • dynamisch: vlot over evenwichtsbank ( niet te smalle basis )
    • kan lichaamschema beheersen:ellebogen , polsen, schouders, enkels, oksels
  • FIJNE
    • knippen: in andere materialen: in stof met een scherpe schaar
    • prentjes rond knippen
    • vorm geven met de schaar
    • vrij aan de rand van een blad
    • kan kleuren binnen de lijnen: vlakvulling, juist kleuren gebruiken, geen blad draaien
    • plaatst nauwkeurig voorwerpen : bouwen : nabouwen volgens plan, torens bouwen die niet omvallen die niet omvallen
    • de potloodgreep: moet correct zijn – soepel
    • tekenen van kindje: dubbele lijn voor benen en armen – haar en details
    • voorbereidende schrijfoefening: eenvoudige basispatronen worden fijner

ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING

  • kan geluiden, geuren situeren en onderscheiden
  • beschrijft voorwerpen enkel door te betasten

VERSTANDELIJKE ONTWIKKELING

  • kan meerdelige opdrachten begrijpen en uitvoeren
  • kan verschillende manieren zien om te sorteren en kan die gevormde groepjes doorsorteren.
  • maakt onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid
  • krijgt inzicht in links en rechts
  • kan moeilijke puzzels maken
  • kan terug- en vooruitblikken in de tijd
  • begrijpt en gebruikt : meer – minder – de helft – groter, kleiner dan
  • krijgt inzicht in cijfers en ontwikkelt getalbeelden
  • gebruikt actief ruimtelijke begrippen

TAALONTWIKKELING

  • spreekt alle medeklinkers uit: r – s – l
  • spreekt speciale verbindingen juist : borstel – herfst – stroom – school – sjaal – spleet
  • gebruikt moeilijke woorden en meerlettergrepige woorden
  • kan een verhaal volgen zonder ondersteuning
  • kan een verhaal opbouwen met 6 prenten
  • legt relaties – lost raadsels op
  • kan gericht vragen beantwoorden en bij het onderwerp blijven
  • kan rijmen
  • heeft interesse voor letters
  • spreekt in samengestelde zinnen,
  • gebruik van verschillende tijden voor werkwoorden is nog moeilijk
  • kan woordjes met bepaalde beginletter zoeken
  • hoort verschil in korte en lange woorden
  • hoort verschil in klanken horen
  • splitst woorden: klappen – lopen, …
  • kent de plaats van een woord in een rij, in een zin
  • kan delen van een woord samenvoegen
  • kan letters samenvoegen tot één woord: b – a – l
  • kan 4 – 5 woorden nazeggen zonder onderling verband
  • kan zinnen met 4 – 8 woorden nazeggen

ONTWIKKELING VAN ZELFSTURING

  • kan zichzelf behelpen: neus snuiten – toilet bezoek – hanteren van sluitingen , gereedschappen
  • begrijpt een taak en voert ze zelfstandig en zonder hulp uit
COPYRIGHT 2016 © JUF VEERLE
DESIGNED BY MARKITA.BE